De Verenigde Kamers van de Raad onderzoeken, na heropening van de debatten, enkele beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen waarbij beschermingsverzoeken van Palestijnen, aan wie in Griekenland internationale bescherming werd verleend, onontvankelijk worden verklaard.
De nieuwe landeninformatie bevestigt dat de situatie van statushouders die in Griekenland verblijven of naar Griekenland terugkeren op dit ogenblik nog steeds precair en problematisch kan zijn. Dit is bij uitstek het geval omwille van een toenemende bureaucratische complexiteit in het verkrijgen van de juiste documenten die statushouders nodig hebben om de rechten en voordelen die zijn verbonden aan hun internationale beschermingsstatus in Griekenland te doen gelden. Deze documenten verschaffen hen immers toegang tot werk, huisvesting, gezondheidszorg en sociale voorzieningen.
In deze drie zaken boog de Raad zich over de specifieke situatie van statushouders met een vervallen Griekse verblijfsvergunning. Tijdens de wachtperiode met het oog op de behandeling van de verlengingsaanvraag hebben statushouders geen toegang tot hun rechten en voordelen, verbonden aan hun beschermingsstatus. Om deze wachtperiode te kunnen overbruggen, dient een statushouder met een vervallen Griekse verblijfsvergunning, zelfs indien hij geen bijzondere kwetsbaarheid vertoont, niet enkel over een zekere mate van zelfredzaamheid te beschikken, maar ook over middelen, of over een netwerk of een andere vorm van ondersteuning, om het hoofd te kunnen bieden aan de moeilijkheden waarmee hij na zijn terugkeer naar Griekenland te maken kan krijgen, wat de toegang betreft tot de gezondheidszorg, de arbeidsmarkt, sociale voorzieningen en huisvesting.
Bij gebrek hieraan kan niet worden uitgesloten dat de betrokkene, buiten zijn wil om en ongeacht zijn persoonlijke keuzes, terechtkomt in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid in het licht van artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Hiermee handhaaft de Raad zijn eerdere rechtspraak (RvV 22 januari 2024, nr. 300 342 VK).
De Raad vernietigt de onontvankelijkheidsbeslissingen omdat de mogelijkheden voor de betrokkene om zich bij terugkeer naar Griekenland te kunnen handhaven en te voorzien in zijn basisbehoeften, in afwachting van de verlenging van zijn verblijfsvergunning, onvoldoende werden onderzocht (RvV 20 februari 2026, nrs. 341 503, 341 504 en 341 505 VK).

