Gelet op de beschikbare landeninformatie kunnen Somalische vrouwen worden geacht te behoren tot een “bepaalde sociale groep”. Dit houdt echter niet in dat zij automatisch in aanmerking komen voor erkenning als vluchteling. Uit de landeninformatie blijkt immers dat niet elke Somalische vrouw, ook niet in Al Shabaab-gebied, a priori het slachtoffer is van gendergerelateerd geweld.
Wel bestaan er individuele risicobepalende omstandigheden, zoals de leeftijd, de regio van herkomst en de actor die daar controle uitoefent, de zichtbaarheid van haar profiel, en de afkomst uit een ontheemde of nomadische gemeenschap, die in concreto moeten worden aangetoond, waaruit een gegronde vrees voor vervolging kan voortvloeien.
Met betrekking tot de aangevoerde vrees voor herbesnijdenis, brengt de Raad in herinnering dat het ondergaan hebben van vrouwelijke genitale verminking als een daad van eerdere vervolging dient te worden aanzien in de zin van artikel 48/7 van de vreemdelingenwet.
Uit de landeninformatie blijkt dat niet elke Somalische vrouw, die reeds besneden is volgens type II, systematisch een risico loopt op herbesnijdenis naar type III in geval van terugkeer naar Somalië. Een individuele beoordeling dringt zich aldus op, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met risicobepalende omstandigheden, zoals leeftijd, burgerlijke staat en het al dan niet bevallen zijn, andere (familiale) percepties en tradities, en het type vrouwelijke genitale verminking dat eerder werd ondergaan.
Na bespreking van verzoeksters individuele situatie, is de Raad van oordeel dat er in haren hoofde onvoldoende risicobepalende omstandigheden aanwezig zijn die toelaten vast te stellen dat er sprake is van een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat zij bij terugkeer naar Somalië aan infibulatie (herbesnijdenis type III) zal worden onderworpen (RvV 26 februari 2026, nr. 341 947).

